Je zit op de rand van de wereld
en bijna iedereen is ziek.
Je kijkt naar de huizen vanop de rand,
je daken, ziek van de wereld
die zich ooit nog eens opblaast
met het geweld van een vanbinnen rottende vrucht,
een overrijpe bes, een te laat geplukte aardbei.
De dag is een krap pak;
je draagt het en het neemt je mee
naar mulle huizen, de ondraaglijke
witheid van kantoorgebouwen.
Ergens in de zolderkamer kruipt een kind
ongewassen onder bed, dagelijks,
alsof het zich met monsters meten wil.
Je schrijft een vacature uit om jezelf te zijn,
maar de dagen worden steeds kleurlozer
en er daagt geen ander op.
Je zit op de rand van een wereld
die in dunne gaten valt, die elk
door kleur, textuur en lengte,
een ander soort tunnel gaan vormen:
de gladde tunnel die van de Dom
tot winkel na winkel verder leidt,
de korrelige tunnel, eigenlijk halfzacht,
die parken verbindt met bomen,
een tafel, een nestrand, een huis,
en dan, in steen, de tunnel die leidt naar buiten de stad,
waar de bus wacht, en men rokend de uren verslaat,
belkaart na belkaart verlegt.
Je kan alles naar je hand zetten,
maar wat is het nut, wanneer
dakpannen door de lucht gaan
als vliegende zakdoeken,
in een oneindig trage beweging
en men de tijd elke derde tel stilzet,
de koepel zich elke tweede tel sluit.
Met je gekafte hand eet je de boeken op
die men je toewerpt, met de gehakte
grijp je naar elk voorwerp dat mij nadert.
In het midden van je reis heb je een man ontmoet
die met één hand in de hoogte en de andere in zijn achterzak
een vluchtlijn kon zijn voor de toekomst.
Je kan alles naar je hand zetten,
maar het richtpunt verdween.
Tunnels gingen zich ronden
tot een stuwen, gewelddadig en eeuwig,
dat enkel naar zichzelf leek te gaan.
In de rand van dit alles strijd je dan
voor verdampende idealen.
De man in het pak spreidt de armen,
een levende vluchtlijn spreidt de armen,
de wachter aan de tunnel spreidt de armen,
je sollicitant spreidt de armen,
je broer leegt zijn zakken en spreidt de armen,
de boekengooier spreidt de armen,
het kind onder het bed spreidt de armen,
een vergeten geliefde spreidt de armen,
je overleden neef op de kast spreidt de armen,
de moeder in de deurlijst spreidt de armen,
een wachter van tijd spreidt de armen,
je zus kust haar kind en spreidt de armen,
iedereen die ziek is, spreidt de armen.
Je zit op de rand van de wereld
en je weet: er is niets. Ik heb tijd.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem