Als ik straks dood in ginder sloot
om dat men hinder ondervond
zo blond en naakt en onverdroten uitgestoten
bedenk dan dat het niets om het lijf heeft
ach dat U zo om Pecunia‘s gulden lucht geeft
en neemt wat u vindt staat U toe
en zonder ooit te denken aan de koe
zonder ooit berooid het gras te zullen likken
of zelfs maar wenst aan hooi te zullen komen
verstrooit U toekomsten, vernielt U dromen
U bent onschuldig, wrijft Uw handen
-wie durft het zo om van uw schoons te stelen-
ze branden om de straf zo uit te delen
aan diegene die uw toekomst even deden stranden
de hand die geeft en dreigt te slaan
want ook die ander wil Uw baan
geef mij de traan maar en de waan van zegen
en houdt me tegen, u heeft genoeg gekregen
en wij hebben zo allen veel te lang gezwegen
wat houdt ons tegen, de barricades op te gaan
Niets, want in de ontwaarding ligt de reden
alles zou ik heden doen om de menswaardigheid
de aardigheid is de balans hernieuwd te vinden
de aardigheid is zelfs die blinden weer
-welke voorheen dat gouden kalf vereerden- te verbinden
met eender lot genaamd Rechtvaardigheid! M
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem